
Gezicht op het hoofdgebouw (en oudste gebouw) van Deir Mar Musa al-Habashi, het klooster van de heilige Mozes de Abessijn, Syrië · Foto: Bernard Gagnon · CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons · Vastgelegd 2010
Klooster van de heilige Mozes de Abessijn
Lokale naam: دير مار موسى الحبشي
Deir Mar Musa al-Habashi, het klooster van de heilige Mozes de Abessijn, staat op een rotsachtige uitloper boven een kloof op de oostelijke hellingen van de Antilibanon, ten zuiden van Nabk en ongeveer 80 kilometer ten noorden van Damascus. De kerk bewaart fresco's uit de 11e tot het begin van de 13e eeuw. Het lange tijd verlaten klooster werd vanaf de jaren 1980 herbouwd en is de thuisbasis van de kloostergemeenschap al-Khalil van de Syrisch-Katholieke Kerk.
Geschiedenis
De twee oudste bewaarde bouwwerken waren waarschijnlijk Romeinse wachttorens die de weg van Palmyra naar Damascus bewaakten, en het klooster rust op de fundamenten van een van beide. Handschriften en munten wijzen samen met kluizenaarsgrotten in de nabije rotswanden op een stichting in de 6e eeuw. De Duitstalige Wikipedia noemt 586 als eerste schriftelijke vermelding; de Engelstalige Wikipedia citeert een handschrift uit de 6e eeuw dat een "klooster van Mushe" ten oosten van Natpha in de provincie Damascus beschrijft. Tot het einde van de 14e eeuw was het klooster de zetel van een bisschop.
De 11e en 12e eeuw waren een periode van groei: het klooster werd uitgebreid en versterkt en de kerk herhaaldelijk beschilderd. Inscripties dateren de herbouw van de kerk op 1058. De grotere toren werd in de 12e eeuw in zorgvuldig bewerkt metselwerk herbouwd, waarschijnlijk na de aardbevingen van 1138 en 1157. In de 16e eeuw volgde opnieuw een grote herbouw; de Arabischtalige Wikipedia noemt het jaar 1556.
De bronnen verschillen over het einde van het kloosterleven. Volgens de Duitstalige Wikipedia hield het in de 17e eeuw op; volgens de Engelstalige Wikipedia werd het klooster in de 19e eeuw verlaten na periodieke activiteit vanaf de 15e eeuw, waarbij zij voor 1838 een Syrische bevolking ter plaatse vermeldt.[1][2][3]
Architectuur
Het vervallen Romeinse fort werd omgebouwd tot een kleine basiliek, lange tijd het enige gebouw van het klooster; de monniken woonden in de omliggende grotten. De kerkfresco's werden tussen 1058 en 1208 in drie over elkaar liggende lagen geschilderd, die de Arabischtalige Wikipedia dateert op na 1058, op 1090 en op 1208. Doordat delen van de bovenste lagen zijn afgevallen, zijn gedeelten van alle drie zichtbaar.
De herbouw van de toren in de 12e eeuw, met zorgvuldig bewerkte steen en gewelven op de begane grond, wijst op beroepsmetselaars. De heropleving bracht nieuwe gebouwen: Dair el-Huqab, gebouwd met gebruikmaking van natuurlijke grotten, voor de monniken en de geiten; het vrouwenhuis Dair el-Hayek met gastenkamers en seminarieruimten, in aanbouw sinds 1998; en een uitgebreide voormalige garage in het dal.[1][2][3]
Gebruik en betekenis
Eeuwenlang leefde hier een kleine groep monniken in afzondering in de bergen. Het klooster diende tot het einde van de 14e eeuw als bisschopszetel, waarna de zetel naar Hama en Mardin en later naar Jeruzalem en Damascus verhuisde.
In 1982 kwam de Italiaanse jezuïet Paolo Dall'Oglio naar Syrië en naar het vervallen klooster; in 1984 begon hij het met vrijwilligers te herbouwen. Samen met de diaken Jacques Mourad, thans aartsbisschop van Homs, bracht hij het kloosterleven nieuw leven in. De Duitstalige Wikipedia dateert de erkenning als kloostergemeenschap onder het patronaat van de Syrisch-Katholieke Kerk op 1991; de Engelstalige Wikipedia dateert de herstichting op 1992. Onder de naam "Kloostergemeenschap Al-Khalil van Deir Mar Musa al-Habashi" is zij een dubbelgemeenschap van mannen en vrouwen, die aan de klassieke taken van gebed en arbeid gastvrijheid en dialoog toevoegt. In 2008 telde zij zeven vaste leden, twee vrouwen en vijf mannen, naast tijdelijke vrijwilligers; de Duitstalige Wikipedia noemt Jihad Youssef als abt.
Haar zwaartepunt ligt bij de oecumene, vooral tussen katholieke en orthodoxe christenen, en bij de christelijk-islamitische dialoog, ondersteund door een bibliotheek. Streven naar zelfvoorziening groeide uit tot een centrum voor biologische landbouw in halfwoestijnomstandigheden. In 2007 brachten twee monniken uit Mar Musa het klooster Dair Mar Elian bij Qaryatain nieuw leven in.[1][2][3]
Bijzonderheden
De fresco's worden beschreven als het enige volledige programma van middeleeuwse kerkdecoratie dat in Groot-Syrië bewaard is gebleven en als belangrijk getuigenis van de Syrische schilderschool. Het aardewerk uit de toren dateert vrijwel geheel uit de 14e eeuw en omvat een stuk Longquan-celadon uit China uit de Yuan-dynastie. In 2009 vond Robert Mason van het Royal Ontario Museum bij het klooster steencirkels, lijnen en graven, die volgens hem mogelijk neolithisch zijn.
De herkomst van de naam is onzeker. Het klooster is gewijd aan Mozes de Zwarte, een Egyptische woestijnvader, maar sommige inscripties verwijzen naar de profeet Mozes, en vermeldingen van Mozes de Zwarte beginnen pas in de 17e eeuw, mogelijk na de komst van Abessijnse monniken in de 15e eeuw. De Duitstalige en de Arabischtalige Wikipedia vertellen van een Mozes uit Abessinië die hier als kluizenaar in een grot leefde.[1][2][3]
Tijdlijn
- 586
Eerste schriftelijke vermelding van een klooster (stichting verondersteld in de 6e eeuw).[1][2]
- 1058
Kerk volgens inscripties herbouwd; begin van de eerste fresco-laag.[1][3]
- 12e eeuw
De grotere toren wordt herbouwd, waarschijnlijk na de aardbevingen van 1138 en 1157.[1]
- 1208
- 1556
Vernieuwing van het klooster (herbouw in de 16e eeuw).[1][3]
- 1981
Op het bovenste terras zijn op één na alle ruimten ingestort; de kapel staat nog.[1]
- 1984–1991
- 1991/1992
Kloostergemeenschap heropgericht onder de Syrisch-Katholieke Kerk (de bronnen noemen 1991 of 1992).[1][2][3]
Galerij
Gedocumenteerde staat
Huidige staat niet gedocumenteerd · stand 1991
In 1981 was op het bovenste terras op één na alle ruimten ingestort; de kapel stond nog, haar beschilderde stucwerk bladderde af, maar haar dak en ciborium waren als brandhout verstookt. Volgens de Arabischtalige Wikipedia duurde de restauratie van 1984 tot 1991. De bronnen bevatten geen recentere informatie over de toestand van de gebouwen.[1][3]
Bezoek
Hier komen & verblijven
Gedocumenteerde rit-, verblijfs- en vervoersdiensten in Rif Dimashq:
Medische voorzieningen in de buurt
Afstand hemelsbreed vanaf deze plaats. Gegevens: OpenStreetMap, stand 2026-10-30. Bedrijfsstatus niet gecontroleerd – bel vooraf.
Bronnen (12)
- Wikipedia (en): Monastery of Saint Moses the Abyssinian rev. 1362388477 · CC BY-SA 4.0 · 2026-10-30
- Wikipedia (de): Dair Mar Musa al-Habaschi rev. 271686356 · CC BY-SA 4.0 · 2026-10-30
- Wikipedia (ar): دير مار موسى الحبشي rev. 75150204 · CC BY-SA 4.0 · 2026-10-30
- Wikidata · CC0 · 2026-10-30
- Wikipedia (el) · CC BY-SA 4.0 · 2026-10-30
- Wikipedia (es) · CC BY-SA 4.0 · 2026-10-30
- Wikipedia (fr) · CC BY-SA 4.0 · 2026-10-30
- Wikipedia (hi) · CC BY-SA 4.0 · 2026-10-30
- Wikipedia (it) · CC BY-SA 4.0 · 2026-10-30
- Wikipedia (pl) · CC BY-SA 4.0 · 2026-10-30
- Wikipedia (ru) · CC BY-SA 4.0 · 2026-10-30
- OpenStreetMap · ODbL · 2026-10-30
Kirchliche Zugehörigkeit: Syrisch-katholische Kirche (Wikidata P140, en, de, ar übereinstimmend). Quellenkonflikte: Wiederbegründung 1991 (de, ar: Ende der Restaurierung Sommer 1991) vs. 1992 (en); Ende des alten Klosterlebens 17. Jh. (de) vs. Aufgabe im 19. Jh. (en); Namensherkunft: Mose der Schwarze, ägyptischer Wüstenvater (en) vs. abessinischer Fürstensohn (de) bzw. aus Abessinien gekommener Mönch, zuvor im Kloster Mar Yaqub bei Qara (ar); erste Erwähnung 586 (de) vs. Manuskript des 6. Jh. (en). Die en-Zuschreibung dieses Manuskripts an Johannes Chrysostomos ist chronologisch fragwürdig und wurde nicht übernommen. Die ar-Wikipedia nennt den Diakon „يعقوب مراد“, die en-Wikipedia „Jacques Mourad“ – vermutlich dieselbe Person. Mitgliederzahl und Abt sind Stand der de-Wikipedia (2008 bzw. undatiert). Keine UNESCO-Listung. Zum heutigen Zustand und zu Ereignissen nach 2008 enthalten die Quellen keine Angaben; das Schicksal von Paolo Dall’Oglio wird in den Quellen nicht behandelt und daher nicht erwähnt.